‘D-dag W-wientje...’
En Wientje had geknikt en zachtjes gemompeld:
‘D-dag Jupie.’
En nu moest hij zorgen voor ‘griffels en potloden en al dat spul meer’. Hijzelf zorgde er niet zozeer voor, hij keek meer of Rozijntje het wel goed deed.
In ruil daarvoor was hij erg lief en hartelijk, hielp hij Rozijntje de borden afdrogen, ’t Was immers de laatste dag die hij helemaal thuis doorbracht.
‘Roep je me vroeg? Ik mag niet te laat komen!’
Hij kon niet slapen. Hij had te veel aan z’n hoofd.
Morgen. Morgen. Een nieuwe gestreepte katoenen bloese met een stropdas. Een griffelkoker en een sponsdoos.
Een lei hoefde niet. Die kreeg hij op school. Hij was goed op de hoogte, had alles gevraagd aan jongens, die al naar de tweede klas gingen. Over een poosje kregen ze ook plankjes met plaatjes en lettertjes, en nog later kregen ze boekjes.
Die lettertjes moesten ze op de plankjes neerleggen. Nogal een kunst! Hij was wel heel wat meer gewend, hij kon Joods lezen. Kon geen van de andere kinderen.
Hij werd natuurlijk de knapste van de klas. Juffrouw zou dadelijk merken dat hij de knapste was. Ze zou vragen: ‘wie weet hoeveel twee en twee is?’ Alle kinderen zouden op hun vingers zitten te tellen en te tellen, hij zou meteen eventjes roepen: ‘vier!’
Hij keerde zich om in bed. Hij lag nu met z’n gezicht naar de nieuwe katoenen bloese. Hij stak z’n hand uit en aaide er over.
Hij zag zichzelf de klas binnenstappen met de bloese en de stropdas. De broek was ook eigenlijk nieuw, pas door juffrouw Meulen gemaakt van vaders Sjabbosbroek. Juffrouw Meulen had gezegd ‘net nieuw’, en juffrouw Meulen kon het weten, want zo oud als ze was - en dat was heel oud, want haar handen waren met een
101