De weg alleen

Titel
De weg alleen

Jaar
1949

Pagina's
195



HOOFDSTUK I

Toen was hij dood.

Ze wist immers, dat hij dood was. Ze moest het immers weten. Want haar hand had zijn hand vastgehouden, en haar oren hadden zijn verlossende snik gehoord, en haar ogen hadden zijn glimlach gezien. Dan moest ze immers weten, dat hij dood was.

Maar ze wist het niet.

Haar gedachten praatten tegen hem. Ze zag hem niet, want haar ogen en al haar zinnen rustten. Alleen haar gedachten praatten, zonder lippen, zonder klank.

„Nu moet je me helpen, liefste. Want anders is het te veel. Je weet toch wel, dat ik nog maar kinderachtig ben, en onzeker. Ik wil graag een goede moeder voor onze kleintjes zijn, zo’n moeder als jij graag van me wilt maken. Maar dan moet je me ook helpen. Je moet achter me staan, liefste, dan durf ik wel.”

Toen kwam het antwoord: een angst-loze rust, die zich over haar hele wezen legde.

En ze was heel tevreden.

De zuster, in de hoek van de kamer, zei:

„Mevrouw, uw kindje huilt.”

Ze keerde zich van zijn bed af, naar de zuster, en knikte met een lachje. Ze streek even met de hand


5

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.