„Ja,” zei hij bitter, „veroordelen. Dat doen alle vrouwen, als het over is. Je weet toch wel, dat er meer vrouwen geweest zijn in mijn leven?”
Het klonk ruw. Ze hoorde die klank niet. „Natuurlijk,” zei ze rustig.
„En jij veroordeelt me er niet om?”
„Ik geloof niet, dat je het helpen kunt. Wij kunnen het helpen. Wij vrouwen.”
Hij keek haar zwijgend aan. Hij wist, dat hij het helpen kon, meestal. Bij haar had hij het kunnen helpen. Maar zij veroordeelde hem niet.
„Weet je, Car,” zei hij opeens hees, „dat jij niet geweest bent als de anderen, — daar ben ik je zo dankbaar voor. Dat je sterk en rein bent geweest. Als je geweest was als de andere vrouwen, — te krijgen waar ik ze hebben wou, — dan had je me iets ontnomen.”
Ze stond geleund tegen de plooien van het zware, zachte gordijn, en keek naar buiten. Het zonlicht viel op haar gezicht, en leek te weerkaatsen op haar klaar, ontspannen voorhoofd.
Ze schudde langzaam het hoofd.
„Nee. Het was geen kwestie van sterkte of reinheid. Ik ben niet sterk en niet rein geweest. Het was kwestie van bescherming.”
Hij keek geboeid naar haar geheven profiel, dat scheen te lichten in de opgevangen stralen.
Toen was het hem, of hij achter haar, met stille blik, de gestalte zag rijzen van haar dode beschermer. Hij boog in eerbied het hoofd.
196