HOOFDSTUK XII
Ientje herstelde zich zo gauw, als alleen een jong en gezond kind zich herstellen kan. Slapjes en smalletjes eerst nog, met een nog niet uitgesleten, oppervlakkig hoestje, — om dan plotseling met iedere dag een stuk vooruit te komen.
Bij Atie bleef nog de herinnering na aan moeder’s innigheid, moeder’s lof die avond. Ze vond het haast buiten verhouding, — alleen omdat ze moeder bij hoestende Ientje geroepen had! Toch herinnerde ze moeder graag en veel er aan, door een ostentatief knipoogje van verstandhouding. Car knipoogde dan terug en wist wat Atie bedoelde. Maar haar mond lachte niet mee met het knipoogje, en in haar brandde het van een weeë pijn.
Werken, werken, — dat kon haar helpen. Even-burg was nog niet gekomen, maar de piano-lessen, de zorg voor haar kinderen en haar huis, moesten haar gedachten opslorpen.
Er was gelukkig ook weer een piano-les bij gekomen: Dippie.
Hettie had haar gebracht, alsof ze er een grote gunst mee vroeg van Car. Ze wou het zo graag proberen, of het al kon. Ze was nog zo jong, — maar ze begonnen wel vaker met zeven jaar, niet?
150