hun groentetuinen het hele zomer-halfjaar door de regen vervingen.
„Jullie weet toch wel, hoe de Boedoeïenen-stammen daar in het zuiden van plek naar plek moeten trekken, om nog iets eetbaars voor hun kudden te vinden, en hoe in de droge winter van verleden jaar de Boedoeïenen, na smeek- en vastendagen om regen, weg moesten trekken naar heel andere streken. En dkkr juist zijn deze kibboetsiem begonnen. Er is dadelijk geboord naar water, op punten die door geologen waren aangewezen; diep, diep is er geboord, en ze hebben het water gevonden ook. Toen de overgebleven Arabieren ervan hoorden, hebben ze gedanst, omdat het wonder van het water zonder regen gebeurd was.
Wel, toen moesten er pijpleidingen worden aangelegd, om het water overal heen te leiden, waar het nodig was.”
R'oevén wachtte even en trok aan zijn kuif. Hij keek Aliza aan alsof hij wou zeggen „niet Aliza?”, maar er was niets te Alizaën. Toen ging hij verder:
„Dat met die pijpleidingen is heel moeilijk geworden. Heel moeilijk gemaakt. De regering heeft het eerst verboden en toen toegestaan, en toen mochten de goede maat pijpleidingen niet gekocht worden, maar duurdere en smallere pijpen werden de neder-zetters opgedwongen, — en toen het eindelijk doorging en ze een eind gevorderd waren, tot vlak bij de eerste Joodse nederzetting, — toen werd het toch verboden, want de regering was bang dat de Arabieren er aanstoot aan zouden nemen, — de Arabieren, die gedanst hadden, toen ze ervan hoorden! Later is het toch maar weer toegestaan, maar meer dan een half jaar heeft het de ontginning opgehouden, en ze hebben nog lang niet alle nederzettingen bereikt. Ze boren verder, op telkens andere plekken, en het zè.1 allemaal lukken, — maar — nou ja, het is bitter, hè?”
In de stilte, die even bleef hangen, kwam het wat pruilende stemmetje van Roetje:
„Je zou vertellen, wat jullie gezien hebt, R'oevén!”
R'oevén lachte, met een knik naar Roetje.
„Gelijk heb je! Ik heb alleen verteld, wat ik er gehoord heb, en
98