heinde terrein over te steken en in de eetzaal te ontbijten. Maar Channa kwam naast Tirtsa lopen.
„Ik begrijp het wel van die kinderen in het kinderdorp,** zei ze. „Ik heb hetzelfde tegenover jullie gehad.”
„Nog?” vroeg Tirtsa angstig. „Heb je dat nog tegen ons?”
Channa lachte.
„Welnee, — na twee jaar, — stel je voor! En,” — ze mompelde het meer dan ze het zei, „ ik kwam hier met mijn moeder, en die kinderen zonder iemand, en ze wisten dat jij je vader en moeder en alles had. Ik, — nou ja: ik heb het erg goed hier, als je het weten wilt.**
Ze zagen er allebei fleurig en opgelucht uit, toen ze de eetzaal binnen kwamen.
„Leuk gehad?” vroegen de grote mensen.
„Best leuk/* zeiden Tirtsa en Channa tegelijk en ze lachten, omdat ze het tegelijk hadden gezegd.
En omdat de beide oudsten tegelijk „best leuk*' hadden gezegd, gingen de andere zes ook maar geloven dat het best leuk kon worden.
Ze waren alweer in hun eigen kibboets en hun eigen kinderhuis terug, en de stadskinderen waren al aan hun laatste week bezig, toen R'oevén en Aliza van hun vakantie terug kwamen, mager en bruin en stoffig, maar erg fleurig.
De kinderen groepten dadelijk om ze heen, nog vóór ze naar douche of eetzaal of naar hun eigen kamer hadden kunnen gaan.
„Was het mooi?” — „Waar waren jullie?” — „Vertellen jullie ons ervan?” — „Hebben jullie geboft met trampen?” — „Heb je foto*s genomen, R*oevén?” — „Wanneer vertel je ons ervan?**
R'oevén hield de handen voor de oren.
„Ja, — ja, — ja, — het was mooi, en we zijn naar de Negev geweest, en we hebben af en toe geboft met trampen en af en toe niet, en ik vertel pas, als we schoon zijn en uitgerust en als we gegeten hebben. Niet Aliza?”
Dat was een nieuwe gewoonte van R'oevén, sinds hij met Aliza
95