Tussen vijfhonderd vreemden, — want ze bleven vreemden.”
„Dan zou elk van die vijfhonderd kinderen weg moeten lopen, want elk kind was alleen tussen vijfhonderd vreemden.”
Tirtsa schudde langzaam het hoofd.
„Nee, zó was het niet. Ze hadden iets samen, — iets verschrikkelijks: de kampen en het vluchten en het zwerven en de nummers op hun arm. En dat ik dat niet had, dat ik een tsabre was en nooit zulke ontzettende dingen had meegemaakt, dat namen ze me kwalijk. Ik wist dat eerst niet, — nooit heb ik het geweten, — maar toen ik het merkte, toen moest ik weglopen. Ik kon dat nog niet: alleen zijn met vijfhonderd die boos op me waren om iets dat ik niet kon helpen.”
Het was voor ’t eerst, dat ze zei: „ik kon dat nog niet.” En terwijl ze het zei, wist ze, dat ze het later wel zou kunnen: alleen zijn tussen anderen, zelfs als die anderen haar iets kwalijk namen, dat geen van beide kanten kon helpen. Ze zou de afstand kunnen overwinnen, later, juist omdat niemand het kon helpen dat die afstand er was. Het was een goede ontdekking, te merken dat je naar iets toe groeide, dat eerst onbereikbaar leek.
„En hier,” ging ze voort, „zijn we met z’n achten tussen vijfentwintig. ... anderen.” Het woord „anderen” kwam er zoekend uit. „En zij hebben géén erge dingen meegemaakt, dus ze zijn niet boos op ons, omdat we het goed hebben gehad, want zij hebben het óók goed gehad, — nogal goed, tenminste. Nogal een kunst, om een dag of drie met ze samen te blijven! Omdat zij nou een ander soort meester hebben dan R’oevén, en een ander soort lol dan wij hier! We kunnen het best leuk hebben, die drie dagen.”
Zonder het te weten had ze de vinger gelegd op de zere plek van het opgroeien in de kibboets: het uitzonderlijke, — het andere-werelden-buitensluitende, — en eigenlijk, bij alle behelpen en alle opleiding tot hard werken: het verwende.
„Vooruit dan maar,” zuchtte David. „Drie dagen zijn zó om, en drie nachten óók.”
Ze losten hun klit op in de anderen, om samen naar het om
94