ziel heeft gehad, toen wij er niet bij waren, omdat hij zo langzaam was met werk corrigeren!”
In het donker begon Tirtsa opeens hardop te lachen.
„Waar lach je om?” kwam Roetjes stem.
„Ik stel me R’oevén voor, — en wij stakend, — en hij op z’n ziel
krijgend, als wij er niet bij zijn!”
Nu lachte Roetje ook, maar een ander meisje vroeg:
„Waarom is dat zo belachelijk?”
„Wacht maar,” zei Tirtsa, „tot R’oevén weer thuis is.”
„Als je maar niet denkt, dat we bang voor hem zijn!”
Weer lachten Tirtsa en Roetje: bang voor R’oevén!
„Wacht maar,” zei Tirtsa weer. „Maar ik heb slaap. Ik praat
niet langer. Maf ze!”
En omdat de anderen, zonder het te willen erkennen, ook vreselijke slaap hadden van die véle nachten met kussengevechten en keet schoppen, werd het zonder overgang stil in de tent; ze sliepen onmiddellijk in. Uit de andere tenten kwamen nog wat geluiden, maar deze zes hoorden er niets meer van.
De acht van het klasje stonden de volgende morgen een beetje
op elkaar geklit.
„Hoe vind jij het hier?' vroeg David aan zijn zus.
„Och,” zei Tirtsa, met een schouderophalen.
„Ik ook,” zei Joel, „d’r is niet veel an.”
„Zullen we maar liever naar huis terug verhuizen?” vroeg Warda. Maar toen was Tirtsa opeens de oudste.
„Nee. We zijn net een dag hier, en het kan misschien nog best
opknappen. En na een dag weglopen, — wat een figuur!”
„Jij bent toch ook uit het kinderdorp weggelopen?” flapte Rahél eruit.
Tirtsa kreeg een kleur. Met de kinderen had ze nooit veel over die tijd en over dat weglopen gesproken, — en ze had het wel moeten doen, merkte ze opeens.
„Ik ben er een half jaar gebleven,” zei ze. „En ik zou er langer gebleven zijn, — al voelde ik me er nooit thuis omdat het te groot was, — als ik niet één alleen was geweest tussen vijfhonderd anderen.
93