begroet in de kibboets. Ze wendden zich af van wat er leefde in de eetzaal en op het grasveld, en zonder het te weten stonden ze als een vreemd, ver kamp tegenover deze wereld, die hun zo onbekend bleef alsof ze er nooit te gast waren geweest.
In de tweede week bracht de leider van de groep de uitnodiging aan de kibboets over: of de grootste kibboets-kinderen een paar dagen in hun tentenkamp mochten kamperen. De kinderen hoorden ervan en waren opgewonden-verlangend om de uitnodiging aan te nemen: buiten hun gewone wereld zijn, al was het dan vlakbij, en toch samen! Vooral Tirtsa, bij wie het alléén buiten haar gewone wereld zijn zo mislukt was, verheugde zich hier mateloos op.
Natuurlijk mocht het; de vakantie was al eentonig genoeg, vooral nu R'oevén veertien dagen met vakantie buiten de kibboets was. Dit zou een afwisseling zijn en tegelijk een kijkje in de stadswereld, hoe die stads-wereld en hoe dat kijkje ook uit mocht vallen.
Met strozakken en lakens en pyama’s en tandenborstels en wat niet al ging het troepje van acht het hek uit, naar de kampeerplek op een mooi, vlak stuk van de berghelling. Met grote ervaring en handigheid, als kibboets-kinderen van jongs-af, richtten ze hun hoekje in, in de tenten waar ze met de stads-kinderen werden ingedeeld. Twee van hen in iedere tent: één zou te verlaten zijn, en drie in een tent van zes zou te overheersend zijn.
Ze aten hun maaltijden niet zoals anders in het kinderhuis, maar vóór de volwassenen in de grote eetzaal, samen met hun gastheren en -vrouwen. Het was erg grappig, als gasten hun eigen kibboets en hun eigen eetzaal binnen te wandelen; ze werden door hun ouders begroet, alsof ze van een verre reis kwamen.
„Hoe hebben jullie het daar?” vroegen ze, — de eerste dag nog wel!
„O, wel leuk, geloof ik. Twee van ons in een tent, met vier andere kinderen. Het kan best leuk worden.”
Maar douchen deden ze toch maar liever in hun eigen kinder
90