gering. Wie hun die foute voorstelling gegeven had, wisten zij noch de teleurgestelde kibboets-kinderen en kibboets-leden. En d&t het een foute voorstelling was, ontdekten ze pas tegen het eind toen hun vakantie op het land zowat afgelopen was.
Het begon met de douche ruimte, waar ze als een zwerm bijen op af vlogen. Er waren maar drie douches in de meisjes- en drie in de jongens-afdeling, maar dat mocht niet hinderen: of er werkers wachtten op een beurt, om zich na hun arbeid óók te mogen douchen, — zij waren de gasten uit de stad en de douche-ruimte was van hen, zolang ze er in waren, dus dan moest ieder ander maar wachten. Soms leek het, zo van buiten het douche-gebouwtje te horen, alsof ze allemaal gekeeld werden en er zich tot de laatste ademtocht tegen verzetten, en als het slagveld verlaten was, kon degene, die 's morgens de schoonmaak-taak had vervuld en de douche-ruimte zo schoon had afgeleverd, dat je van de grond én van de wanden kon eten, wel vele tranen wegpinken: alles drééf, — er lag op de grond een in de zomer onverklaarbare winter-modder, — zeepschuimvlokken bedekten de beide spiegels, — je gleed uit over stukjes zeep, en verspreid over de vloer lagen de houten voet-plankjes met de leren bovenriempjes, die voor algemeen gebruik aanwezig waren om niet met schone, blote voeten op de grond te hoeven komen; ondersteboven en op een hoop lagen ze, de riempjes bemodderd en kleine en grote door mekaar. Dat alles van iedereen was, hadden deze kinderen horen verluiden; dat alles vóór iedereen was, ook het werk en ook de wijze, waarop je alles voor iedereen achterliet, dat was hun nooit duidelijk gemaakt.
De chawériem en chawérot waren na het werk te moe, om iets aan deze kinderen uit te leggen van wat maanden nodig had om tot innerlijk eigendom te worden: het begrip van gemeenschap, van opgaan in het belang van allen, van dienstbaar zijn aan en daardoor tegelijk vruchten plukken van dat onbegrijpelijke en tegelijk zo zichtbare wezen, dat gemeenschap heette en dat de som was van aller inspanning en aller inzet. Ze lieten het maar zo, over drie weken was het toch voorbij....
En zo, onbewust, voelden deze kinderen zich niet door liefde
89