kozen geweest dat we je daarheen hebben gestuurd, — als je daar zó bent geworden.”
„Ja,” zei Tirtsa. Alleen maar „ja”. En toen, om nog iets te redden of iets te verdedigen:
„Ik heb dat maar één ogenblik gedacht. En het was niet de hoofdreden van mijn weglopen. Maar ik heb het je willen vertellen, om het kwijt te zijn.”
R’oevén zat aan zijn kuif te trekken; dat deed hij altijd, als hij zwijgend nadacht.
„R’oevén,” vroeg Tirtsa zacht. „Ik wou graag weten, hoe je me nu vindt, — na dit alles.”
„O, Tirtsa,” zei hij weer, „ben je zó geworden? Moet je van anderen horen, hoe ze je vinden? Heb je dat eigen zuivere oordeel verloren?”
„Ik wou het toch graag weten,” hield ze aan.
Op de veldbloemen, die op moeders tafel stonden, kroop een helgroen rupsje. R’oevén nam het op zijn vinger en hield het Tirtsa voor.
„Hoe vind je dit rupsje?” vroeg hij.
„Hoe ik het vind?” lachte Tirtsa verbaasd. „Groen, — en dun.” „Ja. En als jij nu toevallig paars en dik mooier had gevonden, — zou dat rupsje dan op slag proberen paars en dik te worden?”
Ze was er even stil van. Toen, koppig, herhaalde ze:
„Ik wou toch graag weten, hoe je me vindt.”
„Ik vind je.... Tirtsa,” zei R’oevén.
85