moed meer, om het divandek op te nemen en zich uit te kleden en onder de dekens te gaan. O, en Edna zou komen en haar alles vragen, en R’oevén daarna en vader en moeder als ze thuis kwamen, en Jaël zou alles van de knie moeten weten, — wat waren er véél in je eigen kibboets, die alles van je moesten weten! Maar toch was het goed, weer thuis te zijn.
Een zachte klop op de deur. Het was niet Edna, maar R’oevén.
„O, R’oevén,” zei Tirtsa, „ik heb zo’n spijt.”
„Dat je thuis bent?”
„Nee, — dat jullie ongerust bent geweest.”
„Vertel alles maar.”
En toen, zonder nadenken, kwam alles te voorschijn: van Je-hoedit, die haar had willen storen, toen ze voor de radio zong, — „het was haast niet te merken,” stelde R’oevén gerust, — en van Jehoedits uitbarsting, die zo eerlijk was geweest maar waar Tirtsa toch geen schuld aan had, — en hoe ze, terug in het kinderdorp, toen pas geweten had, hoe alleen zij er was als tsabre.
„En toen ben ik weggelopen,” eindigde ze.
„Ja,” zei R’oevén, nadenkend ei) stil.
Het deed goed, alles te vertellen, — maar dan moest het ook alles zijn. En daarom ging Tirtsa verder:
„Er was nog iets, waarom ik wegliep, die morgen na onze thuiskomst.”
R'oevén wachtte zwijgend.
„Mijn werk van deze week was w.c/s schoonmaken. En.... toen vond ik ineens, dat ze me wel een ander werk hadden kunnen geven.”
„Waarom? Hoefden de w.c/s opeens niet schoon te worden gemaakt?”
„Nee, dat was het niet,” — het kwam er moeilijk uit, — „maar nadat ik solo gezongen had voor de radio ”
Het bleef even stil. Toen zei R'oevén:
„O, Tirtsa, ben je zó geworden? Ben je gaan denken, dat een goede stem iets te maken heeft met w.c/s, die wel of niet schoon moeten worden gemaakt? Dan, — dan is het tóch niet goed ge
84