En nu is Noerith er dan bij gekomen, blonde en blauw-ogige Noerith met haar stralende lachje en haar kuiltjes waar een baby maar kuiltjes kan hebben. Ze heeft niets gemerkt van wat er in haar eerste levensmaand voor spanningen waren; dat heeft moeder Tirtsa zelf verwerkt, tot Jechiël ongedeerd thuis kwam en alles zich ten goede keerde.
Zo zijn er veel moeders geweest; soms is de vader niet gaaf thuisgekomen, — soms is de vader helemaal niet thuisgekomen. Dat is Tirtsa zich heel duidelijk bewust, als ze met een gelukkig hart telt en opnieuw telt:
„Jechiël en de kinderen en ik. Alle vier."
167