HEBREEUWSE WOORDEN
Kibboets — nederzetting op gemeenschappelijke grondslag; meervoud: kibboetsiem.
Chawér — gezel, makker, lid; vrouwelijk: chawéra; meervoud:
manlijk en vrouwelijk: chawériem, chawérot.
Noar — jeugd. Alijat Noar — Jeugd-Uitzending.
Mottèk — schattig.
Agoeroth — Israëlische muntstukken. De munteenheid van Israël is het Israëlische Pond (IL), dat is onderverdeeld in 100 agoeroth. (Enkelvoud: agoera).
Tsabre — in Palestina geborene; eigenlijk: stekelige, van binnen zoete cactusvijg.
Shalom — „dag!”; eigenlijk: vrede.
Channoeka — Inwijdingsfeest; valt ongeveer december; herinnert aan de Maccabeeënstrijd tijdens de Tweede Tempel.
Fellachen — Arabische boerenarbeiders. (Geen Hebreeuws woord).
Pesach — Overschrijdingsfeest; valt ongeveer maart; herinnert aan de bevrijding uit Egypte.
Magen David — Davidsschild; twee driehoeken door elkaar. (De g uitspreken als in het Franse woord Grand).
Trampen — liften. (Eng. woord).
Tender — kleine vracht-auto. (Eng. woord).
Gewoonlijk valt de klemtoon op de laatste lettergreep, behalve als de laatste letter een stomme e of een korte klank is (tsabre, jé«).
De woorden: kibboets?em, chawériem, chawéra, chawérot, worden uitgesproken met de klemtoon op de laatste lettergreep.
In de namen: Haifa, f/ermon, Ra/iél wordt de h uitgesproken als een zachte ch, zoals, in loochenen.
168