huis te hebben gekend, opnieuw een heemloze balling zijn geworden.
Denk niet, dat deze vérstrekkende gedachten Tirtsa van de ochtend tot de avond bezig houden. Ze heeft wel wat anders te doen! Zelfs in de spannendste dagen van de veldtocht was ze even nieuwsgierig naar het aantal grammen, dat haar pasgeboren dochtertje Noerith in die week was aangekomen, als iedere moeder van een pasgeboren baby dat is. Die grammen zijn een persoonlijke verdienste van de moeder, want ze komen voort uit haar moedermelk, en het is haar dan toch maar gelukt, haar zorgen om Jechiël en om hoe dat alles moet aflopen, vèr weg te houden van de melk, die ze haar kindje te drinken gaf. Er is een liefdevolle wil in die melk, zoals er een liefdevolle wil is in al het werk, dat ongestoord voort moet gaan ondanks alles: de wil, geen ander te laten merken wat er van binnen wroet en woelt en vraagt en zorgt.
Ja, die Tirtsa en Jechiël dan, en die driejarige Jonathan en die kleine Noerith. Hoe is dat allemaal gegaan.
Ze groeiden samen op, daar in die jonge kibboets; ze waren nog niet toe aan praten over trouwen, al konden ze zich moeilijk een leven zónder elkaar voorstellen. Jechiël, maar ruim een jaar ouder dan Tirtsa, was wel veel rijper dan zij; hij had veel meer meegemaakt dan Tirtsa, die in de schoot van de kibboets was opgegroeid. Daardoor kon hij Tirtsa heen helpen over die eerste moeilijke tijd, ver van het vertrouwde huis.
Toen Jechiël onder dienst moest, een jaar eerder dan Tirtsa, — in Israël hebben ook meisjes dienstplicht, want de bittere noodzaak eist, dat ieder weerbaar is en de niet-weerbaren kan beschermen, — telde ze altijd de dagen tot hij met verlof thuis kwam. In die korte verlof-dagen moest ze inhalen en uitpraten, wat ze gedurende zijn afwezigheid in zich had moeten opsluiten. Maar toen Tirtsa onder dienst moest, ver weg van Jechiëls standplaats, toen zei Jechiël, de verstandigste van de twee: „Nu moeten we ons
165