omhoog reikten. Het werd gauw koud na zonsondergang, zo hoog in de bergen. Ze zouden dekens nodig hebben in hun tenten.
Tirtsa wendde zich van de rossige westelijke bergen at en keek uit over Galilea. Ze kon zich haast niet meer herinneren, wat er die dag allemaal was geweest; ze kon alleen het langzaam vervagende landschap aan haar voeten in zich opnemen.
Een lange jongens-figuur kwam naast haar staan, zwijgend. Het was Jechiël. Ze voelde zijn aanwezigheid als iets heel vertrouwds, waarbij het niet nodig was, hardop te zeggen wat ze zag en dacht.
Maar toen ze zich afwendde van het donker geworden landschap, hoorde ze Jechiël zeggen, — en ze wist niet, of het tegen hem zelf of tegen haar was —:
„Nu begint het. Het uitrollen van het groene tapijt.”
Ze knikte hem toe en zei niets.
Maar toen ze even later haar tent binnenging, zoemde in haar hetzelfde wijsje als toen ze de vorige nacht was gaan slapen.
„Laat het nooit ophouden.”
Wat? Het uitrollen van het tapijt over de kale bergen, — samen met alle anderen, — samen met Jechiël.
„Laat het nooit ophouden. O, laat het nooit ophouden.”
162