bent bezig, een groen tapijt uit te rollen over deze kale bergrug. Jullie schept een grenslijn, waarvan de latere geslachten zullen zeggen: „De grens van Israël is, waar de vruchtbaarheid begint.”
Er werd een vlag gehesen: de witte vlag van Israël met het blauwe Magén David tussen twee blauwe strepen. Van nu af was dat de vlag van de nieuwe kibboets. En veel jonge stemmen, samen met een paar oude stemmen, zongen het Lied van de Hoop.
Toen was het, dat de nieuwe kibboets zijn naam kreeg. Ze hadden de naam geweten, — zelf gekozen hadden ze hem, — maar niemand had hem vandaag of gisteren uitgesproken, omdat ze, zonder afspraak, hadden gewacht op dit ogenblik.
„Ramat Atid zal de naam zijn van deze nieuwe nederzetting in de bergen.”
Ramat Atid, — Toekomst-hoogte. Velen zeiden het zacht voor zich heen, als om de klank te proeven. Het zou al gauw een vertrouwde klank worden in hun mond, en op de nieuwe landkaarten zou op een punt in de bergen van Naphtali staan: „Ramat Atid,” en aan de bus-stations zou een vertrek-bord staan voor de bussen naar Opper-Galilea, en daar zou tussen andere namen staan: „Ramat Atid.”
Vóór Tirtsa langs keken vader en moeder elkaar aan. Hoelang was het geleden, dat ze voor ’t eerst de naam „Giv'at Jofi” hadden uitgesproken? Achttien jaar al? Welnee, het was immers gisteren! Maar tussen hen in stond hun grote dochter, die voor 't eerst de naam „Ramat Atid” uitsprak, en daardoor moesten ze wel geloven, dat het niet gisteren was, maar achttien jaar geleden.
Ramat Atid: een stuk geploegd land, een omheining, een ge-golfd-ijzeren eetzaal, nog zonder dak, wat tenten, wat ezeltjes, twee muildieren, twee honden, een geitje en een hoop planken om zo meteen weer verder te bouwen. Nog wat? O ja, — een groep jonge mensen.
Voor 't eerst in die week zouden ze vroeg gaan slapen, moe en loom, maar diep-tevreden.
De zon ging onder achter de berg reeksen, die achter de hunne
161