nog weer bovenuit de machtige kop van de Hermon, die zelfs op het eind van de zomer zijn laatste strepen sneeuw nog niet had verloren. Als lijntjes, met een grijs krijtje getrokken, gingen de wegen door de vlakte, en ver in 't oosten, dichtbij de Syrische bergen, kronkelde iets zilvers: de Jordaan. Zij zelf, op de bergen van Naphtali, waren de westgrens van deze wonderlijke uithoek, — en o, daar heel ver weg in het zuiden, nog verder dan het Choelé-meer, schemerde, lokkend en geheimzinnig, het meer van Tiberias.
Van achter de Syrische hoogvlakte aan de overkant klom de zon omhoog. Tegen de rose hemel leken de berg-silhouetten zwart, elke rand met een gouden lijn omtekend. Straks zou de zon heet worden; ze moesten verder. Ze hadden nu geen tijd om te blijven staan en om te kijken; boven zouden ze iedere dag en iedere nacht over Galilea uit kunnen kijken, en iedere morgen zouden ze de zon omhoog zien klimmen van achter de bergen aan de overkant. Ze zouden de Hermon wit zien worden in de winter en weer witgestreept in de zomer. En deze tocht naar boven zouden ze, zolang er geen verkeersweg was aangelegd, wie weet hoeveel keren maken, al zouden ze misschien wel nooit uitgekeken raken op die levende landkaart in de diepte.
Ze moesten verder. En toen ze, geleid door een oudere, die er de laatste tijden al herhaaldelijk geweest was, de plek bereikt hadden, waar de zon nog geen macht over had omdat het nog heel vroeg was en de plek heel hoog, — de plek, waar vandaag hun kibboets geboren zou worden, — toen greep Tirtsa de arm van het meisje, dat naast haar liep, en zei, dwaas-herhalend en zonder gehoord te willen worden:
„Er is geploegdl Kijk toch, — er is al geploegd!”
Een paar waren bezig met het opzetten van de gegolfd-ijzeren platen, die de voorlopige eetzaal zouden vormen, — want wat is een kibboets zonder eetzaal? Een andere groep was bezig, de palen uit te zetten voor de omheining, en prikkeldraad te spannen van de éne paal naar de andere, — want wat is een kibboets, zeker een
159