één na de ander zich terug, zocht een plekje op het grasveld buiten, legde er een rol of een tas of een rugzak neer als hoofdkussen en sliep voor een paar uurtjes in.
Het laatste, wat door Tirtsa heen ging, terwijl ze met dichte ogen rustig op de slaap wachtte, was het lied, dat ze daarnet gezongen had; maar terwijl de wijs in haar zong, veranderden zich de woorden:
,JiIijn God, — mijn God, —
Laat het nooit ophouden:
Deze nacht en de dag,
De kracht in mijn handen,
De wil om te beginnen,
Mijn gebed!’
Er kwamen telkens nieuwe woorden in de paar minuten, dat ze nog wakker was, maar de laatste regel was telkens weer: „mijn gebed". Haar gebed mocht nooit ophouden.
Maar het hield op. Want in de stilte van de nacht, onder de donker-fluwelen hemel met de miljoenen sterren, sliep ze in.
In de koele ochtend vertrokken de auto’s met mensen en dingen van de gastvrije kibboets. In langzame stoet reden ze tot waar het pad omhoog ging, de machtige bergen in, en waar de ezeltjes, de muildieren en de enkele kar geduldig stonden te wachten. Het overladen ging vlot, want het was alles afgesproken werk; er waren de laatste dagen al telkens vrachten naar boven gegaan, en dit was de laatste. Wie niet bij het overladen was ingedeeld, aanvaardde te voet de tocht naar boven.
Bij het hoger klimmen werd het telkens verleidelijker om af en toe stil te staan en om te kijken. Heel Opper-Galilea lag aan hun voeten. Als op een landkaart konden ze aanwijzen, welke kib-boetsiem er lagen; groene plekjes met een enkel dak tussen de bomen door. Aan drie kanten was dit land omgeven door hoge bergen; de Libanon was het noordelijke sluitstuk, en daar rees
158