had zijn harmonica bij zich, als nodigste ingrediënt voor de nieuwe nederzetting, en hij speelde horra's, de éne na de andere, en ze werden niet moe de éne na de andere horra te dansen. Om half vijf zouden ze aantreden, — nou ja, wat hinderde dat? Dit was maar één avond, één nacht, en ze zouden in hun leven nog veel avonden, veel nachten kunnen slapen.
Nu zaten ze in een kring op de grond. Het leek, of ze uitgedanst waren. Over en weer riepen ze elkaar iets toe, als een ping-pong-bal, die snel heen en weer gegooid en gemikt wordt, maar toch nam zelfs de snelheid van de antwoorden iets af.
„Wie kan er zingen?” vroeg één van de andere groep.
Een paar van Tirtsa’s groep riepen: „Tirtsa! Waar is Tirtsa?” en duwden haar naar het midden van de kring.
Ze wou wel zingen. Ze hield ervan, nog net zoveel als toen ze in het kinderdorp in Moshé’s koor had meegezongen en voor de radio alleen had moeten zingen.
Wat moest ze zingen? Ze riepen haar liedjes toe, waar ze het refrein van kenden, en ze zong en liet zich antwoorden. Toen koos ze zelf, de twee die ze voor de radio gezongen had, — zonder Moshé’s begeleiding deze keer, maar even gaaf en even zacht-doordringend tot in de hoeken van de eetzaal. Stil geworden, koos ze verder geen volksliederen meer, maar keerde in zich zelf en droomde maar wat hardop. Het laatste wat ze zong was het stille „Gebed aan het strand”:
,JMijn God, — mijn God, —
Laat het nooit ophouden:
Het zand en de zee,
Het geklots van het water,
Het stralen van de hemel,
Het gebed van de mens!*
„Nog eens,” zeiden zacht een paar stemmen. Ze zong het nog eens en kroop toen terug naar haar plaats in de kring. Als kinderen, die tevreden zijn na een laatste slaapliedje, trok toen de
157