terde „meisje” van moeders kant. Ze wou niet in die richting kijken, want dan verloor ze de draad van wat ze zeggen wou, en die draad kon ze nu niet missen.
„En wat toen nodig was, in die tijd, toen jullie hierheen kwamen, dat is nu nog meer nodig, na de oorlog, en in *t begin van de staat, en met zoveel nieuwe mensen die binnen stromen. Jullie hebt toen willen voorbereiden, wat jullie hoopten dat eens komen zou. Wij moeten onmiddellijk doen wat er gedaan kan worden, voor wat er al is, In jullie tijd waren al die anderen ver weg, maar toch wilden jullie het land voor ze klaar maken. Nu zijn ze er, en ze staan te wachten of het land nog niet klaar is. We hebben erge haast. Nou, — en ik wou graag meehelpen aan dat werk, dat zo'n haast heeft. — Dat is het zowat," eindigde ze met een zuchtje.
Weer keek ze om naar R'oevén. Ze kende zijn gezicht zo goed, en zijn knik, als iets goed was geweest. Die knik, die vertrouwde knik, had hij nu weer.
„Ja, Tirtsa,” kwam Edna's stem uit de stilte, „maar ik heb nog één ding. Het is zo eenzaam daar, en zo vlak bij de grens. Het is er zo onveilig. We zullen niet gerust over je zijn."
Tirtsa keek Edna groot aan.
„O, Edna, waarom zeg je dat tegen mij, en niet tegen de anderen van de jeugdgroep? Wat voor mij onveilig is, is het voor hen toch ook? Omdat ik nou toevallig in deze kibboets geboren ben, en zij niet? Dat maakt toch geen verschil? Je weet heel goed, dat ons land het moet hebben van een kring van goede kibboetsiem langs de grenzen; meer naar binnen toe, dat is van later zorg. Ik dacht juist, dat jullie blij zouden zijn omdat ik één van die kring van goede kibboetsiem help stichten. Ik ben toch jullie oudste!”
Toen kwam Chaïm, met een rare stem, die Tirtsa niet van hem kende:
„Ja, kleintje, je bent onze oudste. Je moet ons maar niet kwalijk nemen, dat we je zo graag hier hadden willen houden. We worden een beetje oud en seniel, geloof ik, en dan wil je graag om je heen
152