hebben, waar je van houdt. Maar we begrijpen nu, dat je het recht hebt, te gaan waar je gelooft te moeten gaan. En — nou ja, — laten we eerlijk zijn: we zijn ook wel een beetje trots op je.”
Tot Tirtsa's grote schrik zag ze, dat hij met de rug van zijn hand over zijn ogen streek en een grimas maakte, die het midden hield tussen pijn en lachen.
„Mag ik nu maar weggaan?" vroeg ze, met een stem, die haar de titel „kleintje" waardig maakte.
Vader knikte haar toe, en tussen een paar chawériem door glipte ze de deur uit.
Buiten, in de maanlichte nacht, ademde ze vrijer. Het was toch moeilijker geweest dan ze dacht. Als ze haar hadden aangevallen met z'n allen, of boos waren geweest, of vasthoudend, dan was het haar heel wat gemakkelijker afgegaan. Maar ze hielden te veel van haar, — dat maakte het zo ingewikkeld. En Chaïm, die goeierd, die had het haar het moeilijkst gemaakt van allemaal.
„Shalom, Tirtsa," kwam een jongensstem uit de schaduw van een hut.
„Shalom, Jechiël," zei Tirtsa verrast. Jechiël, met zijn stille, korte, zekere manier van praten, was juist degene, die ze nu het liefst ontmoette, na die vuurproef.
„Ik heb hier op je gewacht," zei Jechiël. „Ik dacht, dat je wel graag iemand van ons zou zien, na al die volwassen chawériem. Hebben ze het je moeilijk gemaakt?"
„Ze zijn schatten, allemaal," zei Tirtsa. „Daardoor was het zo moeilijk. Ik houd erg van ze."
„Heb je spijt van je besluit?"
Tirtsa keerde zich naar hem toe.
„Spijt? Ik spijt? Hoe kom je erbij?"
Jechiël knikte tevreden.
„Ik wou je wat zeggen," begon hij moeilijk. „We zijn allemaal blij, dat je met ons meegaat. Maar ik het meest. Ja, — dat was het eigenlijk alleen, wat ik je wou zeggen: ik het meest."
Tirtsa wou vragen: „waarom?", maar tegelijk wist ze, hoe dwaas
153