hun keus zal er ook van afhangen, of er toevallig een jeugdgroep een nieuwe kibboets begint, en of er toevallig net een oorlog geweest is en een golf van nieuwelingen in het land moet wonen. Het zou al heel toevallig zijn, als hun omstandigheden dezelfde waren als de mijne, tegen dat ze aan hun keus toe zijn.”
Efraïm knikte bevredigd. Toen vroeg Jaël:
„Kun je ons een beetje uitleggen, wat je tot je besluit bracht?” „Ja,” zei Tirtsa. Ze fronste even het voorhoofd, in een ingespannen poging om haar argumenten te ordenen, en begon: „Jullie snapt toch wel, dat alles me trok om hier te blijven. Ik heb genoeg heen en weer moeten denken. Ik houd van Giv'at Jofi, en ik houd van jullie allemaal. Ik weet heel goed, dat ik meer van jullie ben dan de andere kinderen, omdat ik de oudste ben. Maar dat is het juist wat me ten slotte tot mijn besluit bracht. Ik zal altijd de oudste van de kinderen van Giv’at Jofi blijven, en jullie zullen allemaal uitkijken, wat ik doe en wat ik daarna ga doen. Ik zal hier nooit kunnen uitgroeien en mezelf zijn. En — ik wil ook graag eens de jongste zijn, en niet de oudste. Dat zal ik zijn in onze nieuwe kibboets; er zijn onder de kinderen van de jeugdgroep zo’n paar, die mijn grootvader konden zijn wat rijpheid en flinkheid en organisatorische kracht betreft. En — nou moeten jullie niet boos zijn, — ik wil liever eens een keer geleid worden door eentje van mijn eigen leeftijd dan door een hele bende vaders en moeders, — want dat zijn jullie.”
Ze zag Chaïm ijverig knikken; verder zag ze niet veel gezichten, omdat de mensen achter een cigaret verdekt waren opgesteld, maar ze keek even om voor een steuntje naar R’oevén, en die knikte alleen maar ja. Dat was genoeg om verder te gaan.
„Dat was natuurlijk niet het voornaamste. Wat het voornaamste was, hoef ik jullie niet uit te leggen. Waarom zijn vader en moeder en jullie allemaal naar dit land gekomen? Omdat het er zo makkelijk was? Omdat jullie verder wilden werken aan wat anderen begonnen waren en wat al glad en geriefelijk liep? Nou dan! Ik ben niet voor niks een kind van vader en moeder!”
Die zachte, korte lach kwam van vaders kant, en dat gefluis
151