„Je moet niet onvriendelijk over ze denken omdat ze je zo graag hier willen houden.”
„Ik onvriendelijk over ze denken?” vroeg Tirtsa verontwaardigd. „Ik heb ze mijn hele leven gekend en zij mij. Maar — een féést zal het niet worden, alles op kleingeld te moeten geven. Daarom wil ik er wel graag meteen af zijn.”
Het klonk een beetje tsabre-achtig, maar ze bedoelde het werkelijk vriendelijk. En met een hart vol vriendschap en vol vechtlust tegelijk ging ze op de afgesproken avond naar de kamer van vader en moeder toe.
Daar waren ze bij elkaar, allemaal vertrouwde gezichten. Daar waren Chaïm en zijn vrouw, die even oud waren als vader en moeder, maar die zelf geen kinderen hadden en daarvoor in de plaats de beste vrienden waren van alle kinderen in de kibboets; daar was Edna, die altijd in het schoolkinderhuis had gewerkt en daardoor ook een stukje moeder van Tirtsa was; daar waren Ilana en Efraïm, wier oudste er over een paar jaar ook aan toe zou zijn, te beslissen over zijn toekomst; daar was Jaël, de verpleegster, die in haar leven talloze zere lapjes aan Tirtsa had gesleten; daar waren ze met z’n twaalven, allemaal chawériem, die een beetje meer met Tirtsa te maken hadden gehad dan de rest; o, en daar was R'oevén gelukkig ook, niet om Tirtsa vragen te stellen, dat wist ze wel zeker, — alleen om er te zijn.
„Als je soms een ruggesteuntje nodig hebt van je ouwe meester ” zei R'oevén.
„Natuurlijk heb ik je nodig,” zei Tirtsa dankbaar.
„Je geeft maar een seintje.”
„Dat hoef ik niet eens,” lachte Tirtsa. „Jij snapt het zó wel.” Toen begon Chaïm:
„Ja, kleintje,” — „kleintje” was goed; Tirtsa stak een half hoofd boven hem uit, — „nou maken we het je lastig, hè? Maar we willen liever alles van je weten, eer je besluit in de vergadering van chawériem behandeld wordt, — als het tenminste al een besluit is.”
„Het is een besluit,” zei Tirtsa rustig.
149