„Toekomst” stond er boven aan iedere bladzij, — dus toekomst besliste. Het hinderde niets, dat er alleen een ezel-pad van de grote weg naar boven leidde, zodat ze, in de tijd dat ze nog geen autoweg hadden aangelegd, alles op ezelsruggen naar boven moesten vervoeren. Het hinderde niet, dat er nog geen waterbron was aangeboord op die plek, zodat ze óf het water op ezelsruggen naar boven moesten brengen, öf met snelheid een verbinding met de naastbijgelegen kibboets moesten aanleggen, die wèl al water had, öf dadelijk boren, boren, koortsachtig boren, om een eigen bron te raken. Er waren zo veel kibboetsiem geweest, die zo begonnen waren, — waarom zij dan niet?
Het was bij zo’n bespreking van de toekomstige détails, dat Tirtsa, scherp luisterend, opeens even scherp de beslissing vóór zich zag: zij moest mee. Mee naar boven, naar de bergen, die aan de Libanon grensden, — mee het ezel-pad op, dat onder hun handen al gauw een gebaande weg zou worden.
Ze was verbaasd en geschrokken tegelijk, dat het wikken en wegen opeens was opgehouden en dat er nu geen ontkomen meer aan was. En toen de verbazing en de schrik weken, was er een
blijdschap in haar, zoals ze nog nooit gekend had: een rustige
blijdschap om een stille, wijde zekerheid.
Toen degene, die juist aan het woord was, had uitgesproken, lichtte Tirtsa haar hand op, omdat ze iets zeggen wou. Dat had ze nog nooit gedaan, bij al die besprekingen.
„Tirtsa?” vroeg Jechiël, die de bespreking leidde.
Haar stem was heel vast, toen ze zei:
„Als jullie het goedvindt, ga ik mee naar boven.”
Er viel een stilte. Toen waren er een paar hoofdknikken en wat
gemompel. Eén jongen sloeg zich met een verheugd gezicht op de
knie en zei: „Jahchabibi!” wat een Arabische uitdrukking was
voor „wel verdraaid!” Toen zei Jechiël:
„Natuurlijk vinden we het goed. Maar vinden je ouders en de kibboets het goed?”
„Ik heb het niemand gevraagd. Ik weet het pas op dit ogen
146