15 „IK WEET HET ZEKER”
De jeugdgroep groeide meer en meer naar zelfstandigheid toe, en de kibboets voelde het wel aankomen, dat dit stel niet lang meer bij ze zou blijven. Er was immers al eens eerder een jeugdgroep geweest, en die was ook uitgevlogen toen de tijd gekomen was. Het waren net bijen: er was een tijd van opgroeien, maar er kwam ook een tijd van uitzwermen, en dan had ieder van het jonge bijenvolk zelf te kiezen, of hij wou blijven in deze korf of mee wou uitvliegen. Meestal bleven er maar weinig van het jonge, uitzwermende volk achter. Van de vroegere groep was Aliza achtergebleven, en die was één van hen geworden, al lang vóór ze met R’oevén trouwde. Nu hadden R’oevén en Aliza al een klein jongetje, dat wijdbeens rondhobbelde over het grasveld bij het baby-huis en dat zo'n beetje aan alle schoolkinderen toebehoorde omdat het van R’oevén was, — en daardoor was Aliza eerst recht
143