Hier was geen stad meer. Hier waren bergen achter haar, en vóór haar was een diepte, waaruit de bergen opstegen waar de Oude Stad op was gebouwd. Ze had hem nog nooit gezien, de Oude Stad met zijn zware, grijze muren er omheen en zijn torentjes en koepels; de vorige keer al was het te onveilig geweest, de Oude Stad te naderen. Nu nog, nadat de Joodse Oude Stad in de oorlog gevallen was, kon alleen een heel enkele hem bereiken. En het was Pesach, en de vrome oude Joden van Jeruzalem verlangden met hun hele hart: naar de Oude Stad terug, naar de Muur, die alleen overgebleven was van de verwoeste Tempel, tweeduizend jaar geleden. Ze stonden in groepen, bijeen op de plek, waar Jehoeda Tirtsa heen had gestuurd: mannen met lange baarden en gekrulde lokken aan de slapen, met lange kaftans en brede hoeden of bont-omrande mutsen. Ze zongen of zeiden samen hun gebeden, en keken onafgebroken uit naar die hoge, ommuurde Oude Stad op de bergen, waar hun hele verlangen naar uit ging. Ze woonden in het land Israël, en toch vergingen ze van heimwee, omdat ze niet bij hun Oude Stad konden komen.
Het was niet alleen Pesach, — het was vandaag ook Pasen. Van de torentjes en koepels van de Oude Stad, die zo scherp afstaken tegen de strakke blauwe lucht, kwam klokgelui. Tirtsa voelde zich vreemd omgeven door die ineengestrengelde geluiden: de zingzang van de gebeden om haar heen, en het klare getinkel van de klokken daar ver weg. Als opgenomen voelde ze zich in een wereld, zo ver weg van het leven van alle dag als de hemel was van de grond waarop ze stond.
En nóg verder haast, achter de Oude Stad en achter de woestijn-bergen, die daar op volgden, was er de bergketen van Trans-Jordanië, blauw van onwerkelijkheid. Tirtsa begreep nu, waarom de hemel blauw was: die was ook niet werkelijk, — die kon je ook niet grijpen.
Was zij zelf nog werkelijk? Ze keek neer op haar héél werkelijke, fleurige zomerjurk. Ja, zij was het zelf, — maar dat was ook het enig werkelijke in die hele omgeving.
„Jeruzalem,” zei ze, zacht in zich zelf. Het leek een toverwoord.
142