toen alles aan kant was, gingen ze alle vier tegelijk de deur uit, Tirtsa in het rijke bezit van een sleutel, voor ’t geval dat ze eerder thuis kwam dan de anderen.
Ada was verpleegster in een polikliniek; ze werkte maar van acht tot één, en na de middag-pauze in de polikliniek kwam een ander haar aflossen. Met een gezin thuis kon je niet het volle aantal uren werken.
„En als Gaby nou ziek is bij voorbeeld?” vroeg Tirtsa, die Ada een eind opbracht naar haar werk. „Wie is er dan bij hem?”
Ze dacht aan de kindergroepen thuis, waar altijd leidsters aan het werk waren, zodat de moeders onbekommerd naar hun werk konden gaan.
„Ssssst,” zei Ada. „Hij is haast nooit ziek. Maar die enkele keren was het moeilijk genoeg. Dan verzorgde ik alles, vóór ik weg ging, en gaf de sleutel aan buurvrouw om af en toe te komen kijken. En toen hij één keer erger ziek was, moest ik de polikliniek afzeggen en mijn jaar-vakantie ervoor nemen. Ja, — het is in de stad niet gemakkelijk, als je met z’n beidjes de kost moet verdienen.”
Tirtsa begreep nu, hoe Ada zo mager kwam en zo'n moe gezicht had. Thuis werd zwaar gewerkt, maar wie in de keuken werkte, werkte in de keuken, en wie niet in de keuken werkte, had helemaal geen zorg voor wat er op tafel kwam; je had je werk, en daarmee uit. En na hun werk speelden de vaders en moeders met hun kinderen en brachten ze naar bed, en dan waren ze dikwijls doodmoe, maar het was lang niet zo dubbel als Ada het had, — Ada en een heleboel stadsvrouwen.
„Ik stuur grootmoeder eens naar je toe,” zei Tirtsa, gewend aan het zoeken van een oplossing als zich een probleem voordeed, — en Ada’s dubbele werk leek haar een probleem. „Ze is toch je tante? Nou dan, — om je een poosje te verwennen.”
„Verwennen....” droomde Ada. „Wat een vreemd woord, hè? Ik was het bijna vergeten.”
„Ik stuur grootmoeder,” herhaalde Tirtsa. „Let op mijn woorden!”
141