stadsbewoners hadden maar één kamer, en als ze geluk hadden, ook nog een klein keukentje en in elk geval een douche-hokje. In die kamer stond dan altijd een divan, die een bed was en een onderschuif-tweede-bed verborg. En toch kon iedereen af en toe een gast hebben en was het mogelijk, er de kamer gezellig te laten uitzien als een zit- of een eetkamer of wat je maar wou.
„Ik was al zo bang, dat je 's morgens zou komen,” zei Ada. „Dan had je niemand thuis getroffen: Jehoeda naar zijn werk, ik naar mijn werk, en Gaby naar het kleuterklasje. Maar nu is 't in orde. Hier, een glas ijswater; weet je, hoe iets bijzonders dat is in Jeruzalem: ijs èn water? Jij buitenkind!”
Het buitenkind zat langzaam van haar glas ijswater te genieten en was zich opeens ervan bewust, dat ze eigenlijk tegen haar intrede in een stads-gezin had opgezien. Het viel zo mee allemaal.
„Waar wil je naar toe reizen?” vroeg de vierjarige chauffeur op de grond. „Ik zal je erheen rijden.”
Tirtsa noemde maar de eerste de beste Jeruzalemse straatnaam, die ze zich herinnerde. Gaby maakte een minachtende beweging met zijn elleboog.
„Dommerd,” zei hij, „daar kun je toch niet heen rijden! Daar zijn toch bommen op gevallen!”
„O,” zei Tirtsa.
De dag begon om zes uur, net als thuis zowat. Ada moest, vóór ze naar haar werk ging, de ontbijtboel weggeborgen hebben en de kamer tot een zitkamer hebben gemaakt. Jehoeda nam zijn zoon mee naar het kleuterklas je, op weg naar zijn werk; hij werkte net zo hard mee om de boel aan kant te hebben als zijn vrouw, want als ze allebei uit werken moesten, was dat niet meer dan billijk. Tirtsa was blij, dat ze thuis zo had leren aanpakken, want daardoor kon ze vlot meehelpen.
„En wat is jouw programma vanmorgen?” vroeg Jehoeda aan het ontbijt.
„Rondneuzen,zei Tirtsa.
Jehoeda legde haar uit, waar ze het beste kon rondneuzen, en
140