de beschietingen op de oude weg en die ten slotte in Rechovot was uitgekomen. Over dat pad waren, nog geen half jaar geleden, auto's naar Jeruzalem gereisd met voedsel voor de belegerde stad en met mensen, die er zich heen waagden. Op punten, waar een beladen auto onmogelijk langs kon, waren toen de mensen uitgestapt, hadden de vracht op hun schouders genomen en waren later door de lege auto ingehaald, die hen weer opnam, vracht en al. Toen Tirtsa het verlaten pad in keek, kon ze maar niet begrijpen, hoe daar ooit een auto gereden had.
„Er kan zoveel," zei de vrouw naast haar. „Toen de regen deze winter een stroom gevormd had dwars over deze weg, zodat de auto's er niet door konden, hebben ze in anderhalve dag een brug over de stroom gelegd, en daar ging het weer. En wat denk je, hoe dikwijls de werkers aan deze weg het werk hebben moeten onderbreken, omdat er op ze geschoten werd, en hoeveel er bij dat werk gevallen zijn? Maar dan ging het werk weer door. Alles kan.”
Ze zei het kort en hard, met de kortheid en hardheid van alle mensen, die door erge tijden heen waren gekomen en er weinig over wilden praten. Tirtsa vroeg niet verder; het gezicht van de vrouw vertelde genoeg.
Er was ook weinig te vragen, vooral toen ze de voorlopige weg achter zich hadden en de vroegere weg bereikt hadden, het laatste deel van de reis naar Jeruzalem: deze weg vertelde genoeg. Met grote ogen zag Tirtsa telkens, hoe aan weerskanten van de weg de roestige overblijfselen lagen van verwoeste auto's; het leken een reeks gedenktekenen voor de mensen, die ondanks alles de belegerde stad te hulp hadden willen komen. Die mensen hadden toch ook de waarschuwende resten zien liggen van auto's, die eerder waren omgekomen, maar dat had hen niet tegen kunnen houden: Jeruzalem moest geholpen worden. Moest. Door dat moeten, dat dwingende moeten, kon Tirtsa nu als een vrij mens naar Jeruzalem reizen; dat hadden die anderen voor haar bereikt. Ze was er stil en bedrukt van, en het gevoel van op vakantie-reis te zijn liet haar in de steek, toen de weg hoger en hoger klom en de eerste huizengroepen van Jeruzalem zichtbaar werden.
138