helft van de jeugdgroep, die hun vakantie nog te goed hadden, waren niet anders van plan dan diezelfde tocht te maken. Maar in de dagen na de thuiskomst van de eerste helft werd het duidelijk, dat de oorlog nog tè kort geleden was om vaste plannen te maken; er kwamen berichten dat juist in diezelfde Negev op een groep reizigers was geschoten, en voorlopig werden alle niet direct nodige reizen in die omgeving opgeschort. Ze moesten óf een heel andere streek bezoeken, óf elk op eigen houtje naar familieleden gaan.
Tirtsa’s moeder schreef naar haar nicht in Jeruzalem, of die Tirtsa voor een kleine week te logeren kon hebben; ze wist wel dat Ada heel weinig woonruimte had in haar huis, en dat man en vrouw beiden moesten werken om de kost te verdienen, maar ze wist ook, dat in Israël ieder met ruimte wist te toveren, en een kibboets-kind kon je zeker overal instoppen. Ze vroeg om telegrafisch antwoord, want de vakantie stond vlak voor de deur en de postverbinding met Jeruzalem was nog langzaam.
Een paar dagen vroeg Tirtsa dadelijk, als ze van het werk kwam: „Is er al bericht?” Ze wou zo vreselijk graag. En de derde dag, juist toen ze moe en bezweet het hek binnenging, kwam de cha-wér, die altijd de post afhaalde, ook het hek binnen en zwaaide met een telegram: „Voor je moeder!” Iedereen wist van de plannen, dus hij begreep, wat er wel of niet in het telegram stond.
Ze rende ermee naar de kamer van vader en moeder, en toen ze die niet trof, naar de eetzaal, en daar was moeder.
„Gauw, moeder!” trappelde ze, als een klein kind.
Wel, er stond in: „zullen blij zijn met haar komst.” Het waren maar twee woorden in 't Hebreeuws: „nismach bewo&h,” en die twee enkele woorden drukten alles uit. Voor Tirtsa was het een opwindend avontuur, want ze had nog nooit langer dan twee dagen in een stad gewoond, en als die stad dan Jeruzalem was....
Het was net de dag vóór Pesach, toen ze het telegram kregen, en twee dagen later, toen de prachtige feestavond, — die wel-is-waar door een ongewone regen belemmerd werd, — de prachtige feestdag voorbij waren, ging elk van het troepje, dat nog geen
136