14 JERUZALEM
Pesach, het feest van de bevrijding uit Egypte, duizenden jaren geleden, was meestal ook het feest van de uitstapjes geweest. De eerste avond en dag bleef je in je eigen kibboets, want de eerste avond was wel de mooiste avond van het jaar, en dan wou je vanzelf thuis zijn. Maar de tweede dag, als het verkeer weer begon als op een door-de-weekse dag, dan zag je door het hele land troepjes trekken, die naar alle uiteinden van het land trokken en in iedere kibboets onderdak konden vinden. Meestal was de regentijd dan voorbij, en de hitte van de zomer was nog niet begonnen, — het was de tijd om er op uit te gaan.
Het vorige jaar was daar natuurlijk niets van gekomen: in alle delen van het land was oorlog of in elk geval onveiligheid, en aan ontspanning kon niemand denken. Ieder, volwassene of kind, had het als vanzelfsprekend genomen, dat dit jaar zonder vakantie voorbij ging. Maar nu, van 't jaar, nu alles zich ten goede had gekeerd, nu moesten ze hun schade inhalen.
Een deel van de jeugdgroep had twee weken vóór Pesach vakantie gehad; het moest een beetje verdeeld worden, anders misten er opeens te veel handen tegelijk. Een enkele, die familie in het land had, was daarheen gegaan, en de rest was als trekkersgroep naar het uiterste zuiden gegaan, naar de woestijn van de Negev, tot ze bij de zuidpunt van de Dode Zee waren uitgekomen, bij Sedom, waar de bodem met zout doortrokken was en waar het zeewater zo'n hoog zoutgehalte had, dat ze bovenop waren blijven drijven toen ze in het water baadden. Er waren in die buurt al sinds enige jaren bedrijven opgericht om al die zouten, waarvan vele geneeskrachtige waarde hadden, eruit te halen, en een paar van die werken hadden ze mogen zien. Maar de nederzetting aan de Dode Zee, waar ze zoveel van hadden gehoord, omdat de onbruikbare zoute bodem door wassen en nog eens wassen voor de landbouw geschikt was gemaakt, — die was er niet meer: de oorlog had al dat werk vernietigd.
Ze raakten niet uitgepraat, toen ze terug kwamen, en de tweede
135