we je leerlingen waren. Hij ligt daarginds, in een badkuipje en onder een rammelaar. En je dochter heeft me hierheen gesleept."
„Da's goed/'
Vader knikte tegen Tirtsa, en dat betekende zoveel als: ga jij nu maar weg, dan kunnen wij mannen onder elkaar over hun toekomst praten. Tirtsa begreep het en ging terug naar haar drie kornuiten en naar de moeder met de baby.
„Komt in orde,” zei ze tegen de vrouw. „Jullie kent vader van Cyprus en jullie hebt Hebreeuws van hem geleerd en nu praten ze samen over wat het beste is.”
Het was een beetje kort en een beetje veel in één zin, maar voor de jonge moeder was het genoeg om met een zucht van moeheid en ontspanning tegen de houten loods-muur te leunen.
„Nu komt het goed," zei ze. „Ik heb tien jaar niet geweten waar ik woonde en ik ben tien jaar op weg geweest. Maar nu komt het goed, — hier komt het goed.”
En tegen de baby in het kuipje, — de slapende baby, die van geen geroezemoes en geen zwerftochten wist, zelfs van geen rammelaar:
„Niet? Nu komt het goed, — want nu zijn we thuis.”
184