welkomstgroet aan de vader en moeder dan aan het kind.
„Weet jullie al, waar je heengaat?” vroeg Joël, met de directheid van een tsabre.
„Nee,” zei de jonge man, ook in 't Hebreeuws, „we zullen eerst wel naar een ontvang-kamp gaan, om van daaruit te zien, waar we heen kunnen.”
„Heb jullie al met vader gesproken?” vroeg Tirtsa, trots op haar vader. „Die weet wel raad.”
„Wie is dat dan?”
„Kom mee, dan zal ik je hem wijzen.”
Door al het gewoel heen leidde ze de man naar het kluwen mensen, waar ze haar vader achter wist; de vrouw bleef op het badkuipje met inhoud passen.
Tussen wat armen en schouders door wees ze op haar vaders gezicht.
„Dat is ie.”
„Is ie d&t?” riep de man, verheugd en opgewonden. „Is dat je vader? Hij is bij ons op Cyprus geweest om ons voor te bereiden op vandaag. Dat ik met jou kan praten, in 't Hebreeuws, heb ik aan hem te danken!”
Tirtsa was stil van trots. H&d ze eventjes een vader!
„Hij zal je wel raad kunnen geven,” zei ze na een poosje. „Mis
schien neemt hij jullie wel mee naar huis.”
„We gaan niet in een kibboets,” zei hij. „We wilden na al die
jaren met z’n drietjes wonen en op eigen houtje ons vak uitoefenen.”
Hij lachte.
„Maar dat zal een kibboets-kind als jij wel niet kunnen begrijpen.”
„Vader weet in elk geval raad,” hield Tirtsa koppig vol, „wkkr jullie ook heengaat.”
En ze bleef trouw met hem wachten, tot het kluwen wat gedund was.
„Hé, Chaïm!” riep vader dadelijk. „Is je vrouw er ook?”
„En onze zoon,” zei de man. „Maar die was er nog niet, toen
133