en klonk van de kade het volkslied op, — het Lied van de Hoop, die in vervulling ging voor deze vrijgelaten gevangenen.
Ze zaten met z’n vieren in een hoekje van de grote loods, waar vader toegang voor ze had verzocht, op voorwaarde, dat ze niet in de weg zouden lopen. Van vader zelf was niets meer te zien; die was verdwenen achter een kluwen nieuw-binnengekomenen, die zijn raad en zijn aanwijzingen moesten hebben. Achter lange tafels op schragen stonden vrouwen, die hier net als vader hun opdracht te vervullen hadden: dranken en vruchten geven aan de reizigers en ze verzorgen met al wat ze na hun reis konden nodig hebben.
„Wat is dat voor lichtblauw en rose op die tafel daar?" vroeg Tirtsa aan No'omi naast haar.
„Zie je dat niet?" lachte No'omi. „Luister dan maar, dan kun je door het lawaai heen horen, wat het is.”
Nu zag Tirtsa, dat een jong ouderpaar met een baby vóór de tafel bleef staan en dat de moeder iets rosigs in de hand kreeg; toen hoorde ze, toch duidelijk tot in de hoek waar ze zaten, het geluid van een rammelaar. Omdat dit eerste schip het schip van de baby’s was, werden ze opgewacht met rammelaars.
„Wat hebben ze nou aan een rammelaar!” zei Joël, zoals alleen een jongen dat kon zeggen.
„Alles,” zei Tirtsa, „want daardoor weten de vaders en moeders dat we hier naar ze hebben uitgekeken.”
„Hébben jullie dat?” vroeg een jonge vrouw, die al Hebreeuws sprak.
„Ja,” zei Tirtsa, „dat weten jullie toch wel?”
„We hebben het niet zeker geweten,” zei de vrouw, „maar nu weten we het zeker.”
Ze zat op een bank, en het blikken badkuipje met haar baby stond op de grond. Haar man stond er naast, en beiden keken ze af en toe in het badkuipje, naar de slapende baby en de nieuwe rammelaar, die aan het voeteneinde lag. De baby was eigenlijk nog te klein om iets aan de rammelaar te hebben; het was meer een
132