Ze voelde haar hart wijd worden van verlangen naar het schip en naar de mensen, die straks deze zinnen tegemoet zouden varen en er zich door verwelkomd zouden voelen. De wereld was vandaag wel héél zonnig en wijd en goed.
Aan een hoek van de kade lag het kleine loodsbootje, dat straks
het schip uit Cyprus tegemoet zou varen en het de veilige haven binnen zou leiden. Daarnaast, wat groter, lag een sleepboot.
„Waar komt het schip te liggen?” vroeg Chanan aan de kapitein van de sleepboot. Jongens hebben altijd iets te vragen aan kapiteins en zo.
„Welk schip?” riep de kapitein terug, net of hij het niet wist.
„Het schip.”
,fiet schip komt pal hiernaast te liggen,” zei de kapitein trots, „en wij varen het tegemoet.”
Ze waren er even stil van: het schip tegemoet varen, — het was
toch lang niet gek om zeeman te zijn, al was het maar op een
sleepbootje.
Toen vroeg vader opeens:
„Zouden deze vier kinderen uit mijn kibboets erg in de weg lopen, als ze mee het schip tegemoet voeren?”
„Welnee,” zei de kapitein, „als jij erbij bent zeker niet.”
Ze keken alle vier vader aan; die moest even nadenken, of hij wel met ze mee kon varen en toch op tijd op z’n post zijn, als de eerste opvarenden binnen zouden komen.
„O, vader,” fluisterde Tirtsa.
„Goed, dan ga ik mee,” zei vader. „Eer de mensen van het schip af kunnen, ben ik al lang op mijn post.”
Met hun voet op de dikke, bruine kabel en met hun hand stevig in die van de kapitein sprongen ze één voor één op de sleepboot.
„Jullie houdt je gemak wel, hè?” zei de kapitein. „Rondkijken m&g, maar de mannen voor de voeten lopen niet.”
Rondkijken mócht, — en er was zoveel rond te kijken. De drukte op de kade, die meer en meer toenam, leek opeens veel verder af, en de spandoeken met de opschriften kleiner en duidelijker. Achter
129