„Boffen jullie even?” zei R'oevén, die niet mee kon gaan, omdat hij de andere kinderen niet in de steek kon laten.
„Bof ik even?” zei Tirtsa, en gaf haar vader een zoen.
Sinds Tirtsa’s grootmoeder was aangekomen, was ze niet meer in de haven geweest; dat was nu ruim drie jaar geleden: van eind *45 tot januari '49. Ze wist, hoeveel er in die drie jaar in de haven gebeurd was: hoeveel kleine, half-lekke schepen er waren aangekomen, volgepropt met mensen en dan leeggeruimd, de mensen weggebracht naar Cyprus. Maar nu was er geen spoor van verdriet en geweld en ellende in diezelfde haven: nu lag hij vol bedrijvigheid, vol laden en lossen van vrachtschepen uit alle mogelijke landen, — en vol verwachting.
Ze waren er een beetje stil van, de vier, die met vader door de controle aan de ingang van de haven heen gingen. Tenslotte waren ze maar kibboets-kinderen, levend op een klein plekje grond en in een kleine wereld, en de haven was groot en wijd en verbond hen opeens met alle landen van de wereld.
En dan waren er de blauw-witite vlaggen overal, en de bonte, kleurige vlaggen-rijen aan ieder schip, en dan was er de drukte van feest-voorbereiding en versiering langs de kade en tegen de loodsgebouwen. Hoge ladders, met; mannen erop, die elkaar aanwijzingen toeriepen.
„Beetje naar rechts! Tikje hoger! Kijk uit, je houdt het ondersteboven!”
Wat moest een beetje naar rechts en een tikje hoger, en wat werd ondersteboven gehouden? Hebreeuwse zinnen, die vele eeuwen geleden door de profeten waren uitgeroepen en die nu straks de binnenvarenden zouden verwelkomen. Toen ze varen uitgerold en vastgemaakt, konden zij ze lezen:
„Gezegend zij, die komen.”
„En zonen keren weer tot hun gebied.”
„Voor een klein ogenblik heb ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal ik u verzamelen.”
Tirtsa, van jong kind af vertrouwd met deze taal, dronk het in.
128