diende. Soms mopperde de vergadering van chawériem, dat ze zo’n goede kracht niet konden missen, maar meestal draaide het er toch op uit, dat ze de rechten van de wijdere gemeenschap erkenden boven die van hun eigen kleine wereld.
Tevoren was Tirtsa’s vader al telkens maanden lang weggestuurd om leiding en hoop te geven aan de mensen, — vooral de jonge mensen, — die al eerder vóór de kust van Palestina hadden gelegen en toen door Britse oorlogsschepen gedeporteerd waren naar het eiland Cyprus. Op dat eiland waren er al een hele boel, die hem kenden en die veel goede moed en veel Hebreeuwse kennis aan hem te danken hadden; de enkele gelukkigen, die later al tot Palestina waren toegelaten, hadden hem af en toe opgezocht en waren blij geweest, een bekend aanknopingspunt te vinden in het nieuwe, vreemde land.
Nu was Israël vrij om zoveel immigranten toe te laten als het wilde, en in de haven was het een aankomst van boten vol nieuwelingen van je welste. Maar tot nu toe had de Britse regering de mensen op Cyprus nog vastgehouden. En daar was opeens, door de loop van de gebeurtenissen in Israël, het verrassende besluit van Engeland, alle gevangenen van Cyprus hun vrijheid te geven. De gevangenen zelf, — zo vertelden de kranten, — hadden de nacht na ontvangst van dat bericht vreugdevuren gebrand en er omheen gedanst en gezongen: eindelijk, eindelijk!
En nu zou overmorgen het eerste schip uit Cyprus komen, met vijftienhonderd vrijgelatenen, — de gezinnen met baby’s eerst natuurlijk, — het eerste schip, dat trots en vrij van Cyprus naar Israël kon varen.
„Daar moeten onze kinderen bij zijn,” had Tirtsa’s vader gezegd. „Dit is zó iets groots, deze thuiskomst uit de ballingschap, dat een paar van onze kinderen dat minstens moeten kunnen navertellen.”
Maar omdat grote groepen kinderen en toeschouwers die er geen familie te begroeten hadden, in de weg zouden lopen, kon hij er maar vier meebrengen. En om die vier werd geloot.
Het lot verdeelde het nogal rechtvaardig: twee van de jeugdgroep en twee van de school. Tirtsa en No’omi en Chanan en Joël.
127