„Wat zijn ze anders dan toen ze voor 't eerst hier kwamen!” zei een chawér trots.
„Dat heb jij niet gedaan en ik niet,” zei een ander. „Dat heeft het land gedaan.”
„Nou, de kibboets toch ook een beetje,” hield de trotse vol. „En het weg zijn van huis, die drie maanden. Ze zijn opeens groot geworden.”
Weg zijn van huis. Het was zo iets gewoons, dat deze kibboets hun huis was: zijzelf voelden het zo en de chawériem voelden het zo. En Tirtsa voelde het zo: de kibboets was hun huis, zo goed als het haar huis was. Waar ze ook heen zouden trekken, later, dat zou altijd hun thuiskomst zijn.
Lang na middernacht, op weg naar hun tenten en hun dagverblijf, vroeg Tirtsa aan Jechiël:
„Ik was zo toeschouwer vanavond. Ben ik èèn van jullie?” Jechiël, de kaplaarzen geplant in de modder van het rotsige paadje, keek van zijn lengte uit op Tirtsa neer.
„Dat ben je toch van het begin af geweest!” zei hij verbaasd. „Waarom vraag je dat?”
„Jullie zijn zo groot geworden,” zuchtte ze. „In die drie maanden zijn jullie veel ouder geworden dan ik. En ik wou toch zo graag één van jullie zijn.”
„Je wordt het,” zei Jechiël, heel beslist. „Als je het tenminste nog niet bent.”
125