„Dat moet hij wel. Wacht maar.”
Er vielen een paar voorwerpen uit de vliegmachine, die al gauw zich ontplooiden tot paddestoeltjes. De kinderen, die nog nooit parachutes hadden gezien, vonden ze er toch vertrouwenwekkender uitzien dan al wat tot nu toe met vliegtuigen te maken had gehad. De paddestoeltjes werden groter en naderden de grond, — een heel eind van het feestplekje bij de eetzaal af.
„Mee!” zeiden de grote mensen. „Zoeken waar ze zijn neergekomen.”
Het was alles zó’n afgesproken zaak, dat de kinderen al niet meer bang waren; samen met de grote mensen liepen ze vlug in de richting, waar ze de parachutes hadden zien neerkomen. Als krachteloze lappen troffen ze ze ten slotte aan: vlak bij het hek, al bijna buiten het terrein van de kibboets.
„Zo,” zei de chawér, die de leiding nam, „nu moeten alle kinderen helpen, eronder uit te halen, wat de chawér van het vliegtuig heeft neergegooid.”
Het werd een sjouwen en ruimen, en ten slotte kwamen daar een paar pakketten te voorschijn, die onder ademloze stilte werden uitgepakt.
„Oooooo!”
Meer konden de kinderen niet uitbrengen: het overvliegende vliegtuig, dat al lang uit het gezicht verdwenen was, had lekkers en poppen en houten auto’tjes en beertjes en blokken en prentenboeken neergegooid.
„Net een verhaaltje,” zuchtte het oudste, achtjarige kind, dat zielsgelukkig met een pop in de armen liep.
„Hoe wist jullie dat?” vroeg Tirtsa, buiten het bereik van de kinderen.
„Wel,” vertelde de chawér, die het hele geval geleid had, „de kinderen hadden zóveel vreselijks meegemaakt met vliegtuigen, dat we bang waren, dat ze nooit over hun angst voor vliegtuigen heen zouden komen, en daarom moest het aangepakt worden, zodra ze hier terug kwamen. We hebben de hulp van het leger ingeroepen, en de luchtmacht was maar al te blij, dat ze eens wat
117