anders uit konden gooien dan bommen, en eens wat anders konden verspreiden dan schrik en dood. Tijd en alles was afgesproken, — en heeft het geklopt of niet?”
„Wat jammer, dat de piloot zelf niet heeft kunnen zien, hoe blij de kinderen waren!”
„Ja, — op het ogenblik zelf heeft hij er niet bij kunnen zijn. Maar hij heeft beloofd, dat hij van het vliegveld met een jeepje hierheen komt. Es kijken of hij woord houdt.”
Het was een paar uur later, en de meeste kinderen waren diep
in hun middagdutje, toen een jonge piloot in uniform het hek
van de kibboets binnen wandelde; het jeepje, waar de lange jongen als opgevouwen in had gezeten, liet hij buiten het hek, omdat hij bij ervaring wist, dat de populariteit van een jeep onder kinderen wel eens noodlottige gevolgen voor het mechaniek van het tóch al niet te solide geval kon hebben.
„Daar was ik dan,” zei hij tegen de chawér, die de samenzwering
geleid had. „Is het goed gelukt?”
„Het kon niet beter. Ik geloof, dat de kinderen wel grondig van hun angst genezen zijn.”
„Waar zijn de kinderen?”
„Rusten. Maar een paar zijn op. Ik zal ze roepen, en straks zul je wel je leven niet zeker zijn, als de kleintjes wakker worden.”
„Ik ben wel eens meer mijn leven niet zeker geweest,” zei de piloot ernstig, „en dat was een minder lonende baan dan dit.” Met de drie grootsten, die niet sliepen, viel het leven-niet-zeker-zijn nogal mee: ze waren stil van eerbied en genegenheid en vooral van dankbaarheid. Het oudste kind, de pop nog in de éne arm, sloeg de andere arm om de hals van de piloot, op wiens knieën ze gekropen was, en gaf hem een voorzichtige kus.
„Nou,” zei hij een beetje hees, „zo is het nog es de moeite waard om oorlogsvlieger te zijn!”
Toen de kinderen er niet bij waren, vroeg een chawér:
„Jullie in het leger zijn toch altijd zo groot in het benoemen van krijgs-operaties, — hoe heb jullie deze operatie genoemd? Of is ze niet roemrijk genoeg om in de annalen te worden vermeld?”
118