te goed en te ongedacht, weer allemaal in veiligheid bij elkaar te kunnen zijn, dan dat ze deze eerste dag maar gewoon aan het werk van iedere dag konden gaan. Officiële mensen van het leger en de regering hadden ze uitgenodigd, en van die vroege morgen af waren ze bezig met groen in de herstelde eetzaal, met dankbare teksten langs de muren en met veel, veel extra werk in de nog niet complete keuken.
De thuisgekomen vrouwen hielpen net zo hard mee, behalve die betrokken waren bij het werk, dat geen dag kon worden overgeslagen: het melken en verzorgen van de overgebleven koeien, — het werk in de kippenren, waar nieuw-aangevoerde kippen de omgekomene alweer vervingen, — het schoonhouden van wat geen dag overgeslagen kon worden, — en vóór alles: de verzorging van de baby's en kleuters. Tirtsa had handen vol werk in het baby-huis, maar toch werd het zó geschipperd, dat bijna ieder die middag bij het feest kon zijn.
Het was meer een dankbaar dan een blij feest; voor blijheid, onbekommerde blijheid, was er te veel gebeurd. Maar de kinderen,
— die lieten ze zo onbekommerd als maar even mogelijk was; voor de kinderen was er spel en dans en liedjes.
Maar opeens, nog vóór Tirtsa het duidelijk kon horen, was er een geluid, dat sommige kinderen wit deed wegtrekken en dat ze ontzet deed wegkruipen tegen de schoten en schouders van moeders en vaders: het geronk van een vliegtuig, — het geluid, dat hen aan alles herinnerde, wat ze vandaag hadden willen vergeten. Ze trokken de vaders en moeders bij de arm en wilden naar de schuilkelders vluchten. Maar de vaders en moeders waren in het geheim: ze wisten, dat er deze keer geen reden tot schuilen was.
Een chawér met een heldere, duidelijke stem ging tussen de kinderen staan.
„Niet huilen/’ zei hij. „Deze keer is het een vliegtuig van ons,
— en wit voor één! Kijk nu goed toe, wat dit vliegtuig gaat doen."
Wantrouwig volgden de kinderogen de weg van het vliegtuig
door de lucht.
„Hij vliegt zo laag!’' riepen een paar angstig.
116