moest het voor zich houden. Ze waren te jong, de andere kinderen. Zij wist het nu, en dat was genoeg,
Want zij was de oudste.
De daken van de huizen waren vernield in de kibboets Ramat Joséf, en grote lappen zeildoek moesten voorlopig de bewoners beschermen tegen de regens, die nu al begonnen te komen en die wel gauw talrijker en sterker zouden worden. En als de lappen zeildoek niet bestand zouden blijken tegen de regens, — nou ja, regen was beter te verdragen dan kogels en bommen.
Maar het dak van het kinderhuis prijkte met nieuwe dakpannen, en binnenin was alles zo goed in orde, alsof er niets gebeurd was. De kinderen eerst, — de eetzaal met zijn nieuwe blikken dak daarna, — de rest zou later wel in orde komen. Zo was het toch in alle kibboetsiem, het hele land door: de kinderen eerst, — de kinderen eerst.
De grotere kinderen herkenden met kreten van verrukking hun eigen, vertrouwde plek, zelfs sommige van hun eigen, ongeschonden dingen. De baby's, uitgeput van de moeilijke reis en verzorgd door de baby-verzorgsters, de moeders en Tirtsa, zeilden dadelijk weg in een diepe slaap. Thuis of ginds, — het bedje was het enig nodige.
Tirtsa sliep die nacht in een tent, samen met Lea, het andere meisje, dat met de moeders was meegekomen. Ze waren zó moe allebei, dat ze dadelijk insliepen, en doodverbaasd waren, toen ze de volgende morgen met natte dekens en natte schouders en haren wakker werden. Het had geregend, en de tent bleek er niet tegen bestand, — maar nu scheen de zon alweer, en ze droegen de natte dekens naar buiten en droogden zich af met hun handdoeken, die toevallig op een droge plek in de tent hadden gelegen. Het was nog geen sterke regen geweest, en blijkbaar een korte; wat moest er hard gewerkt worden, om al die daken van al die huizen klaar te hebben, eer de regen sterk zou worden en hele dagen aaneen zou neerstromen!
Zij, die gebleven waren, hadden al lang de dag na de terugkeer van hun vrouwen en kinderen tot een feestdag bestemd; het was
115