en als de tijd gekomen is, kunnen geen wapenen de tijd tegenhouden.
Jonge chawériem werden opgeroepen naar gevaarlijke plekken, om de Staat Israël te verdedigen. Giv'at Jofi liet ze bezorgd gaan. Het werk werd zwaar, met zoveel handen minder, want ook van hen die niet werden weggestuurd, moesten veel meer dan anders de wacht houden. Af en toe werden groepen mannen voor enkele dagen opgeroepen, om soldaten van het front tijdelijk naar huis te kunnen sturen. Te veel mannen mochten er niet weggestuurd worden, want dan zou de kibboets zonder voldoende verdediging blijven.
De jeugdgroep en Tirtsa werkten meer dan ze tot nu toe gedaan hadden. Ze deden het graag; ze waren net iets te volwassen om vrede te kunnen vinden in het werkeloos toezien, als oud en jong in het hele land het uiterste opbracht om de nieuwe staat te verdedigen en de binnenvallende troepen weg te houden, en als overal geleden en ontbeerd werd. Het leek haast ongeoorloofd, dat in deze kibboets tot nu toe niets ernstigs gebeurd was, en het extra werk hielp deze grote kinderen over dat gevoel van onverdiende bevoorrechting heen.
Het was al volop zomer, toen op een vroege morgen drie jonge vrouwen met vier kleine kinderen het hek van Giv'at Jofi binnenkwamen, te uitgeput eerst om iets te zeggen van wat hen hierheen had gebracht. De baby’s versuft en slaperig, werden dadelijk verschoond en gevoed en in bedjes gelegd; de moeders werden, na een ontbijt en een douche, in een kamer ondergebracht, die gauw voor hen was ingeruimd.
Ze kwamen uit Opper-Galilea, van een kibboets, die bij de noordelijke grens lag. Ze waren te lang gebleven eigenlijk, alle moeders en kinderen van die kibboets; ze hadden te lang gewacht met weg te trekken en de verdediging over te laten aan de mannen en aan de vrouwen zonder kinderen. Waren ze eerder weggegaan, dan hadden ze rustiger kunnen reizen naar waar ze zich veiliger dachten: zij, die ergens in de rustiger streken familie hadden, daarheen, en zij, die geen familie hadden buiten hun
109