„Naar binnen,” zei hij. „Naar de eetzaal. Dit is de nacht, — dit is de enige nacht in ons leven.”
Waar kwam het toen ineens allemaal vandaan? Eén van de cha-wériem stond op en zei iets, korte woorden, die diep doordrongen, — en een paar chawérot waren naar het magazijn achter de keuken gegaan, en opeens stonden er kopjes op de tafels en die werden half met wijn gevuld, — en toen zat Tirtsa's vader achter de piano en speelde het volkslied, het Lied van de Hoop, — en allen stonden rechtop en zongen, en ieder had wel iemand van zichzelf, die hij aan moest kijken en voor wie hij zich niet hoefde schamen om zijn tranen.
Ze wisten allen, dat het de enige nacht in hun leven was, — de eerste goede nacht in tweeduizend jjaar.
Een paar uur slaap namen ze allemaal nog, eer de nieuwe werkdag begon. En mèt de nieuwe dag begonnen de berichten van over het hele land binnen te komen: goede en slechte berichten.
De goede berichten waren, dat er een vreugde in dorpen en kib-boetsiem en steden geweest was als nooit tevoren. In de steden hadden wildvreemde mensen elkaar op straat omhelsd, en kringen hadden zich gevormd om schouder aan schouder horra te dansen; in Jeruzalem hadden ze gedanst op het voorplein van de gebouwen van het Joodse Agentschap, dat in de harten van de mensen eigenlijk al lang de Joodse regering vormde. Daar hadden Engelse soldaten met de horra-dansers meegedanst, blij, dat hun vijandige opdracht gauw afgelopen zou zijn en dat ze misschien naar huis zouden kunnen gaan. Ja, — dat waren de berichten van feest en vreugde en hoop.
Maar tegelijk kreeg Chaïm, die dit jaar de verantwoordelijke voor de veiligheid in de kibboets was, het bericht, dat er die avond verduisterd moest worden en dat er zo gauw mogelijk met het bouwen van schuilkelders moest worden begonnen, want vliegtuigen hadden al boven het Joodse gedeelte van Palestina rondgecirkeld en hier en daar waren bommen gevallen. En terwijl de vreugde van de wonderlijk-goede nacht nog in ieder na-zong, begon
106