„Toen de maan weg was, begon het in het oosten al licht te worden. En in het daglicht zagen we dat in dat éne uur al iets ontstaan was, dat een kibboets aanduidde: het begin van een omheining, en de eerste gegolfde platen, die rechtop stonden en de voorlopige eetzaal zouden vormen. En het begin van een wachttoren. En toen om elf uur de officiële mensen kwamen, om het ontstaan van Jechi Am te vieren en in te zegenen, — wel, toen w&s er al iets. Toen was er een kibboets geboren!”
Hij vroeg niet „niet Aliza?” — hij vroeg helemaal niets, en geen van de anderen vroeg iets. Alleen zeiden een paar vastgeroeste stemmen van de stadskinderen „dank je,” en toen merkten zijn eigen kinderen opeens, dat ze nog nooit „dank je” tegen R'oevén hadden gezegd, voor al de keren dat ze iets van hem hadden meegekregen. Raar eigenlijk, dat je eraan wende, zoveel te krijgen____
„Kom je een avond bij ons vertellen, R'oevén?” vroeg de jonge leider. „We hebben het nogal nodig.”
R’oevén knikte.
„Maar dan zonder je eigen kinderen,” zei één van de meisjes. „Die hebben je vaak genoeg.”
„Mijn eigen kinderen?” zei R’oevén. „Poeh, ik zou ze niet eens erbij willen hebben! We hebben vakantie van elkaar, zie je?” Maar toen beide troepjes, door elkaar, langzaam wegslenterden van het grasveld, riep hij de stadskinderen achterna:
„Mag ik alsjeblieft Aliza meebrengen? Die moet controleren, of ik maar niet wat uit m’n duim zuig.”
Nou ja, — dat mocht dan.
102