„Over vijfentwintig jaar gaan jullie met je kinderen naar de Negev, zoals ik met jullie naar de Emek ben geweest, en dan vertel je maar hoe het in ’t begin is geweest, en dan zie je met je kinderen, hoe het nu is. En dan vertel je van je ouwe meester R’oevén, die net zo met jullie is gaan kijken, hoe de Emek nu was, en hoe die toen vertelde wat hij alleen maar uit verhalen wist: hoe het geweest was.”
„Kun je niet eens met ons naar de Negev trekken?” vroeg er één. „Nu nog niet, — met kinderen nog niet. Het is te moeilijk.”
En toch, terwijl R’oevén dat woord,, te moeilijk” uitsprak, begon er bij Tirtsa iets te dagen, dat voor haar de tijd niet ver meer was, dat zij niet meer bij de kinderen hoorde, voor wie het te moeilijk was. Aan een tocht erheen dacht ze niet, maar wel aan deelhebben aan dat werk en aan het moeilijke begin. Het beschermde thuis, het gemaakte bed waarin ze was opgegroeid, begon haar opeens beschamend te lijken; nog een paar jaar, en ze hoorde onder de volwassenen, en dan moest ze, evenals die vóór haar kwamen, een beschermd thuis bouwen voor wie na haar zouden komen.
„Drie dagen geleden,” vertelde R’oevén verder, „zijn we erbij geweest, toen een nieuwe kibboets begonnen werd.”
„We hebben het in de krant gelezen, dat er een nieuwe kibboets begonnen werd!” riep David opgewonden. „Jechi Am, niet? We hebben het wel gelezen, maar we wisten niet, dat jullie erbij waren!”
„Ja, wij waren erbij: bij het begin van Jechi Am. De nieuwe nederzetters, héél jonge meisjes en jongens, hebben de nacht tevoren doorgebracht in het dichtsbijzijnde punt, dat al verleden jaar een kibboets was; Aliza en ik waren daar ook. Naar bed zijn we geen van allen geweest. Ik kan je niet zeggen, hoe feestelijk we ons samen voelden; we hebben gezongen en horra gedanst, de hele nacht door, tot een uur vóór we zouden vertrekken. We moesten 's nachts vertrekken, en het moest alles in stilte gebeuren, want bij het begin van een nieuwe nederzetting kunnen er door Arabieren of Engelsen allerlei moeilijkheden in de weg gelegd worden, en als we eenmaal gevestigd zijn, is er van buitenaf weinig meer aan te
100