werkte er met intens plezier aan. Voor het eerst koos ze een joodse hoofdpersoon.
Henri, net als Marianne in 1886 geboren, woont met zijn vader, de antiquair Maurice - vroeger Moos -Godschalk aan de rijke, joodse kant van de Kloveniersburgwal. Aan de overkant van het water leeft het gewone volk, dicht opeengepakt. Daar hoort Mietje thuis, het vrolijke dochtertje van de werkster. Mietje, 'een christenmeisje', mag weleens komen spelen. Zij is een van de weinigen bij wie hij zich prettig voelt. Maar Henri mag later niet meer met haar omgaan, laat staan bij haar op bezoek. Want Mietje is er een van de overkant, waar het wemelt van de rooie oproerkraaiers. Verboden terrein.
In een lezing voor de radio vertelde Marianne dat de politieke situatie midden jaren dertig - het Duitsland van Hitler en de opkomst van de nsb - haar het thema voor dit boek had ingegeven. 'Men zoekt in deze tijd allicht naar een brug, een mogelijke verbinding tussen die twee zijden. Een brug tussen jood en niet-jood, tussen bezitter en niet-bezitter.' Deze groepen moeten elkaar leren kennen, 'zodat men later, als men naar de andere zijde ziet, niet met wrok of onkunde over de ander oordeelt'.
Marianne Philips verwerkte nog veel meer tegenstellingen in deze roman. Die uit de ondertitel bijvoorbeeld: Een jeugd tussen twee eeuwen. Er is het klassieke conflict tussen vader en zoon. De economische en politieke opvattingen van het liberalisme staan tegenover die van de arbeidersbeweging. De Victoriaanse seksuele moraal wordt af gezet tegen vrijere opvattingen. Joden die assimileren botsen met de joodse orthodoxie. 'Iedere zijde heeft zijn eigen overkant. Toch zijn het twee zijden van één ding,' zei Marianne over haar uitgangspunt voor dit boek. Maar zij heeft de contrasten bewust niet al te nadrukkelijk aangebracht. Dat had alles te maken met haar keuze voor 'een paar zuiver waarnemende kinderogen, die nog onbevooroordeeld de werkelijkheid zien, dat wil zeggen, wat werkt
63