346 NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN
daardoor den invloed die door Louis Napoleon zou kunnen worden uitgeoefend te verlammen en zich van de keizerlijke legende en glorie meester te maken tot eigen voordeel en tot nadeel van Louis Napoleon, van wien men kon vermoeden, dat een zijner eerste daden zou zijn de roemrijke overblijfselen van zijn grooten oom naar Frankrijk te doen overbrengen. De vrees voor den invloed van Louis Napoleon, den zoon van Hortense, den lateren Keizer Napoleon den derde, droeg er het hare toe bij, waar de regeering wist, dat het grootste gedeelte van de Fransche bevolking nog steeds de bonapartistische ideeën was toegedaan. Wanneer de regeering zich van den grooten Keizer meester maakte en daardoor zou toonen, dat zij wist hoe men een roemrijken naam moet vereeren, zou daardoor een band te meer ontstaan tusschen de troon en de bevolking. En daarom begon men met een ordonnantie uit te vaardigen, dat het standbeeld van den grooten Keizer weer op de Colonne Vendöme zou worden geplaatst, waarvan het tijdens den intocht der geallieerden in 1814, was neergerukt. En misschien gaf den doorslag aan het besluit van de Fransche regeering om het lichaam van den Keizer naar Frankrijk te doen overbrengen, het verhaal, dat er ging, als zouden Joseph, Lucien en Louis bezig zijn een schip uit te rusten en te bemannen; dat zij het lichaam van den Keizer van Engeland wilden opeischen en dat zij, die uit Frankrijk waren gebannen, zich rondom de kist van hun beroemden broêr wilden scharen en daarmee voor de mond van de Seine zouden verschijnen, om een plaats in Parijs voor hem af te dwingen. En waar zou dan één schildwacht worden gevonden, die den moed zou hebben tot den Petit Caporal te zeggen: de toegang is verboden?! Wanneer dit alles zou geschieden, zou de bonapartistische partij een te groote macht krijgen en de troon van Louis Philippe, die toch al niet stevig stond, in gevaar brengen.
De Fransche regeering moest zich dus haasten. In Engeland vond zij geen tegenstand; de Engelsche regeering stemde toe en gaf, met een schijnbaar breed gebaar van welwillendheid en om te doen gelooven, dat zij aan alle vijandelijke gevoelens tegenover Frankrijk een einde wilde maken, verlof, dat het overschot van den grooten Keizer van St.-Helena mocht worden weggevoerd.
In de vergadering van de Chambre des Députés, van den 12den Mei 1840, sprak de toenmalige minister van binnen-