NAPOLEONS LAATSTE LEVENSJAREN 341
terug te keeren. Hij blijft echter even zwak en zijn pols is klein. Hij hikt voortdurend, en men tracht zijn krachten met een weinig vleesch-gelei en wat wijn op te houden. In den nacht van den 4den op den 5den Mei ijlt hij voortdurend, de laatste woorden die hij zal spreken, mompelt hij:
„France.......armée”, en zegt hij met moeite. Doch ter
zelfder tijd springt hij plotseling uit zijn bed met een kracht, die de Montholon welke hem tracht op te vangen, meesleept en op den grond gooit en hij klemt hem met zulk een greep de keel dicht dat hij hem bijna worgt en Archambaud, die in de kamer er naast waakt, hem te hulp moet komen om hem uit zijn handen los te maken. Dat was zijn laatste krachts-uiting. Daarna blijft hij rustig.
Tegen vijf uur ’smorgens braakt hij weer dezelfde zwarte vloeistof als voorheen. Kort daarna kan hij bijna niet meer slikken en moet men zijn dorst trachten te lesschen door hem voortdurend zijn mond en zijn lippen vochtig te houden. Toch heeft hij nog genoeg bewustzijn om Antommarchi, wanneer deze zijn bed nadert, terug te wijzen. Zijn oogen beginnen strak te staren, zijn onderkaak zakt, het stervens-reutelen begint. Te vergeefs beproeven de geneesheeren hem nog mosterdpappen en trekpleisters aan zijn voeten te leggen om hem op te houden; zij werken niets uit.
En zacht, onhoorbaar sluipend nadert hem de Dood, een stagen sluimer slapend over zijn bewustzijn.
Zijn lichaam wordt doortrild van een lange rilling, een klein wit schuim bedekt zijn lippen, zijn oogen doffen en blijven star geopend.
Den 5den Mei, om vijf uur negen en veertig minuten s’avonds, in het beginnend duister van een vroegen nacht, na heel een dag in een bewustloos, moeilijk-hijgend trekken van zijn ademhaling te zijn heengeleefd, waarin een pijnlijk klagen onverstaanbaar telkens brokte, is hij gestorven.
En plots begon rondom het eiland een orkaan te woeden, wijd uit het zeevlak wit-geschuimde golven kolkend naar omhoog in plassend vlagen de regen kletter-persend op de vroeg-omnachte aarde, de lage wolken jachtend in een wilde stuwing door de lucht, waaruit dof-zware nevels dekten over Longwood. En hoog in luidloos, geheimzinnig stuwen langs den hemel, lichtte een staart-ster op, een gulden dooden-wade goudend over hem, die roerloos neerlag in eeuwig zwijgen: den grooten